Opgraving

De vindplaats van de archeolgische plek ligt op een dekzandrug op de oostelijke zijde van de stuwwal van Enschede. Door de keileem van de stuwwal kon regenwater niet goed wegzakken zodat in grote gebieden natte gronden ontstonden. De dekzandruggen vormden droge plekken. De jagers-verzamelaars zochten deze plekken op om voor korte of wat langere tijd hun kampen op te slaan.

Vuursteen in kaart

Kleine stukjes vuursteen zijn bij archeologisch veldonderzoek met grondboringen gevonden. In een latere fase zijn er enkele proefsleuven gegraven om nog eens goed te onderzoeken wat de omvang, diepteligging en aard van de vindplaats was. In de proefsleuven zijn de bodemlagen precies in kaart gebracht en zijn de lagen in vakjes van 50 bij 50 cm uitgezeefd. Per vakje zijn de aantallen en soorten bewerkte vuurstenen bekeken. Vervolgens konden er tekeningen worden gemaakt met de dichtheden van vuurstenen over de uitgegraven proefsleuven.

Grote en kleine kampen

Op de tekeningen zijn grotere en kleinere concentraties zichtbaar. Elke concentratie is een plek waar een kamp is geweest. De kleine concentraties zijn van kleine, kortdurende kampen, misschien een paar dagen of een week. De grotere concentraties zijn de resten van grote kampen. De bevolkingsdichtheid was laag. Misschien dat er in Twente een paar families rondtrokken die deel uitmaakten van een grote familiegroep met een leefgebied tot ver buiten Twente. 

We mogen er van uit gaan dat deze dekzandrug in de periode van het mesolithicum vele tientallen, maar misschien wel bijna honderd keren een plek is geweest waar de jagers-verzamelaars zijn geweest. Dat wil niet zeggen dat ze er elk jaar kwamen. Misschien een tijd lang twee keer per jaar een paar weken, dan misschien een paar generaties helemaal niet en dan misschien wel een paar generaties lang elk jaar met een grote groep. Het kan allemaal. Het Mesolithicum duurde ruim 5000 jaar en zelfs als er 1 x in de 100 jaar een groep op de dekzandrug kampeerde dan zijn er nog 50 vuursteenconcentraties ontstaan.

Slechts een klein deel van de vuursteenconcentraties op de dekzandrug is opgegraven. Er zijn er zeker nog veel meer en dat is ook de reden dat er voor gekozen is om deze in de bodem te bewaren en te beschermen.

Klimaat en vegetatie

Het Holoceen is de geologische periode na de laatste ijstijd. Het Holoceen bestaat uit meerdere deelperioden. In het begin van het Holoceen is de gemiddelde jaartemperatuur snel gestegen. In een periode van ongeveer 1000 jaar met bijna 15 graden. Tussen circa 9300 en 5700 jaar geleden was er de periode van het Atlanticum. In die periode was het gemiddeld nog wat warmer dan tegenwoordig. Heel ons land was bedekt met bos. De zandgronden waren bedekt met een gesloten gemengd eikenbos. Dit bos bestond uit een gevarieerd loofbos met eik, linde, iep, es en hazelaar. Lokaal, en vooral afhankelijk van de verschillen vochtigheid van de bodem kunnen er variaties in bostypen zijn geweest. Zo zal in beekdalen en moerassige gebieden vooral een zogenaamd elzenbroekbos aanwezig zijn geweest. Ook waren en nog smeltwatermeren met open water en natuurlijk beken die in de Dinkel vloeiden.

Leefwijze

De mensen leefden van de jacht en al het andere wat de natuur bracht. Het waren jagers-verzamelaars. Ze jaagden op edelherten, reeën, vossen, everzwijnen, bruine beren, elanden en wolven, bevers, otters en vele vissen als snoek, steur, karper, baars, brasem en paling. Daarnaast werd gejaagd op een breed scala aan vogels waaronder zwanen, ganzen en eenden.

Plantaardig voedsel werd verkregen door het verzamelen van zaden, kruiden, bessen en vruchten en andere eetbare planten, knollen en hazelnoten. 

De mensen leefden in kleine groepen die door het landschap rondtrokken. Die groepen konden bestaan uit een of meerdere families van enkele generaties. De verblijfplaatsen worden basiskampen genoemd. Vanuit een basiskamp werd de omgeving afgezocht en bejaagd op voedsel en materialen die ze nodig hadden. Na verloop van tijd, als de omgeving van het basiskamp was afgezocht trok men verder, mogelijk een tiental kilometers, en werd een nieuw kamp ingericht. 

Aangenomen wordt dat vrouwen en kinderen zich vooral bezig hielden met het verzamelen van plantaardig voedsel en dat de mannen in de omgeving of misschien ook ver buiten het kamp jaagden. Als ze dan enige dagen verder weg waren, richtten ze kleine jachtkampjes in. Uitgebreidere contacten met andere familiegroepen kwamen vooral tot stand tijdens grotere bijeenkomsten.

Omdat mensen rondtrokken werden er geen echte huizen gebouwd. Er werd gewoond in tentachtige hutten van dierenhuiden of rietmatten over een skelet van buigzame takken of dunne stammetjes. Bij het verplaatsen naar een nieuw kamp werden de huiden meegenomen.

Van de tijdelijke kampen vinden we niet veel terug. De enige onvergankelijke materialen die de mensen gebruikten waren steen en vuursteen. Het maken van potten kwam pas veel later en metaal kende evenmin. De meeste gebruiksvoorwerpen waren van hout, been en gewei en leer. Dit zijn materialen die in de bodem snel vergaan, en zeker na duizenden jaren. 

Kleding moet vooral gemaakt zijn geweest van huiden en vellen. Voor zover bekend zijn er geen resten van geweven of gebreide kleding gevonden.